|
Ik ruik, ik ruik, wat jij niet ruikt……
Het belangrijkste waarnemingsorgaan van de hond is zijn neus. Zijn reukvermogen hangt voor een deel af van de oppervlakte van het neusslijmvlies (afhankelijk van de grote van zijn neus) en dus het aantal reukcellen. Die variëren bij een hond ongeveer tussen de 67 miljoen en de 200 miljoen. Ter vergelijking: de mens heeft tussen de 5 en 20 miljoen reukcellen. Daarnaast heeft de hond ook nog een soort extra reukorgaan, het orgaan van Jacobson. Het is een lang, smal, orgaan dat in de neusbodem achter de bovenhoektand begint en over de bodem van de neusholte loopt. Bij de mens is het onontwikkeld of geheel afwezig. Van dit orgaan is bekend dat het een belangrijke rol speelt bij het waarnemen van geuren onder water. Het orgaan bevat zeer veel reukcellen en er is een directe verbinding van dit orgaan met het reukcentrum in de hersenen van de hond. Het is dus niet zo gek dat honden veel meer ruiken dan mensen en dat hun wereld voor een groot deel uit geuren bestaat.
Speuren
Deze eigenschap van de hond om goed te ruiken, kunnen wij door training in ons voordeel gebruiken. Tal van honden doen allerlei nuttige werkzaamheden met hun neus. Ze sporen drugs en explosieven op of verdachte personen, maar ook vermiste personen of mensen die onder het puin liggen. Ze kunnen zelfs drenkelingen opsporen! Ook tijdens de jacht wordt er dankbaar gebruik gemaakt van de hondenneus.
Er zijn verschillende trainingen en benamingen voor al deze verschillende taken.
We kunnen honden trainen op het zoeken (bijvoorbeeld naar mensen onder
het puin, hierbij volgt de hond geen spoor), maar we kunnen hem ook
laten speuren (bijvoorbeeld door het spoor te volgen vanaf de plek waar
een vermist persoon voor het laatst is gezien). Of we kunnen de hond
laten sorteren (uit meerdere voorwerpen het voorwerp kiezen dat het
juiste geurbeeld heeft).
Werk of plezier
Speuren wordt vaak gezien als iets voor politiehonden of voor de echte
africhtingssport (KNPV en IPO), maar particulieren met een “normale”
huishond, denken niet zo gauw aan speuren als recreatieve sport met hun
hond.
Om een hond zo goed te trainen dat hij echt ingezet kan worden voor
reddings- of opsporingswerkzaamheden, moet zijn opleiding inderdaad al
vroeg beginnen. Ook niet elke hond is geschikt voor deze moeilijke en
zware taak.
Op recreatief niveau kan bijna elke hond speuren, jong of oud, reu of
teef, ras of rasloos. In feite hoeven wij de hond het speuren niet eens
te leren, want dat doet hij vanzelf al. Wel kunnen wij de hond helpen
zijn neus te ontwikkelen zodat hij geuren beter leert onderscheiden en
herkennen. Zo kunnen wij het natuurlijke speurgedrag van de hond wat
soms tot ongewenst gedrag kan leiden, omzetten naar gewenst speurgedrag
in ons voordeel.
Het gericht speuren is een zeer inspannende bezigheid voor de hond,
niet zozeer lichamelijk, maar vooral geestelijk. Vooral voor drukke
honden of jachthonden is het daarom een prima manier om hun energie
kwijt te raken, maar ook voor alle andere honden (en bazen) is het een
hele leuke sport die tegemoet komt aan het natuurlijke gedrag van de
hond en waarbij de baas veel over de lichaamstaal van de hond kan leren
en vooral ook goed leert kijken.
Techniek
Als de geleider de techniek van het speuren eenmaal goed onder de knie
heeft, dan kun je in feite overal oefenen met de hond, binnen- en
buitenshuis. Wel is het heel belangrijk dat de geleider de signalen van
de hond leert lezen en op de juiste manier interpreteert. Dit is
eigenlijk het moeilijkste onderdeel van het speuren. De geleider moet
op elk klein detail van de lichaamstaal van de hond letten en weten wat
de hond hiermee bedoelt.
Als de hond bijvoorbeeld aangeeft dat hij het spoor kwijt is (dit zal
hij niet zeggen) en de geleider loopt stug door ipv de hond op de
juiste manier te helpen het spoor weer te vinden, dan heeft de hond
geen succes doordat hij zijn beloning (de spoorloper eventueel met
voer) niet vindt en verliest hij zijn motivatie om gericht te speuren.
Hetzelfde geldt als de hond de juiste richting aangeeft, maar de
geleider maant de hond aan om door te lopen in de verkeerde richting.
Een goede samenwerking en het kunnen vertrouwen op elkaar is bij het
speuren dus van groot belang.
Ook moet de geleider weten wat bepaalde weertypen (windrichting en
sterkte, temperatuur, regen) of bodem (gras, aarde, verharde weg) of de
omgeving (bos, weiland, bebouwde kom) voor invloed kunnen hebben op het
geurspoor zelf en op het reukvermogen van de hond. Naast een volleert
hondenlezer, is een goede begeleider dus ook nog eens een meteoroloog
en een geoloog!
Er valt dus nog heel wat te leren voordat wij de hond goed kunnen begeleiden bij het speuren
|